VIA CHRISTINA – Het boek / The book

Research

 

Fouten en fabels

 

Door Frans Godfroy

 

Over Christina van Zweden zijn talloze verhalen verteld en de meeste hebben de tand des tijds doorstaan. Dat maakt het historisch onderzoek er niet eenvoudiger op. Heel wat van die overleveringen staan namelijk op gespannen voet met de historische werkelijkheid, terwijl het voor de onderzoeker vaak niet meteen duidelijk is wat tot het kaf behoort en wat tot het koren (1). De afgelopen drie eeuwen hebben aangetoond dat het niet volstaat beweringen te ontzenuwen en vervolgens naar het rijk der fabelen te verwijzen. Eenmaal doorgedrongen tot de canon van de Christina-geschiedschrijving laten de spookverhalen zich met zo’n bezweringsformule niet zomaar verjagen en blijven ze opduiken.

Vandaar onderstaande opsomming, resultaat van de research voor het boek Passage naar Rome en bedoeld om – zonder de pretentie volledig te zijn – een overzicht te bieden van dubieuze overleveringen en pertinente fabeltjes rond Christina.

 

1. Descartes schreef geen balletverzen

2. Saumaise was nooit rector van de Leidse universiteit

3. De drieëenheid Frederik van Hessen-Eschwege

4. Christina’s ruiterportret: ‘slechts’ 3,40 m hoog en niet in Rome maar in Madrid

5. Niets bijzonders aan Christina’s kerkgang op de zondag van haar vertrek uit Stockholm

6. Het reisgezelschap werd al gauw opgehouden door ziekte van Christina, maar niet in Brokind

7. Sprong naar de vrijheid over een niet bestaand grensbeekje

8. Deense sprookjes (1)

9. Deense sprookjes (2)

10. Hardnekkige roddel: joodse lesbische courtisane voor Christina

11. Dubieuze bron wordt niet betrouwbaarder als het een keer goed uitkomt

12. Ontvangst in Wandsbeck niet door Albert Behrens maar door broer en zus Marselis

13. Nepnieuws over Christina’s jezuïtisme in de eerste roomse stad die ze aandeed: Münster

14. Ontmoeting met Anna Maria van Schurman: geniaal verzonnen

15. Voordat de aartshertog Christina in Innsbruck ontving, wist hij van haar bekering

16. Christina noemde haar openbare geloofsbelijdenis beslist geen ‘klucht’

17. Verwarring rond Christina’s entree in de Pauselijke Staat

18. Triootje Santinelli-Santinelli-Monaldeschi: wilde fantasieën van een oversekste professor

19. Terugkerend thema: Christina als schaamteloze rokkenjaagster

20. ‘Menigte’ wordt door vertaalfout ‘gekkin’ Christina

21. Monaldeschi’s lot: lompe beulen, lepe machthebbers en luie schrijvers

22. Postuum rouwbeklag

 

__________

1 Godfroy, Frans, Passage naar Rome. De opzienbarende bekeringsreis van koningin Christina van Zweden, 1654-1655, Utrecht 2022, p. 358 e.v.

 

 

1. Descartes schreef geen balletverzen

 

Het is een ontroerend verhaal. Descartes, die in 1649 – eigenlijk tegen zijn zin – van zijn knusse woning in het Hollandse Egmond afreisde naar Stockholm om koningin Christina in te wijden in zijn wijsbegeerte, werd bij aankomst aldaar door de koningin aan het lijntje gehouden met de opdracht om de begeleidende verzen bij een ballet te schrijven. Het spektakel was gewijd aan de kort tevoren gesloten Westfaalse Vrede (1648) en heette La Naissance de la Paix.

Het verhaal dateert van 1691, toen Adrien Baillet er in zijn biografie van Descartes naar verwees zonder vermelding van de titel (2), maar heeft pas sinds 1920, toen de herontdekte tekst van het ballet aan een nieuwe editie van het verzameld werk van Descartes werd toegevoegd, een vaste plek veroverd in de geschiedschrijving. (3)

Totdat de overlevering in 1990 door Richard Watson, die werkte aan een nieuwe biografie van Descartes, in een artikel in Archives de Philosophie werd lekgeschoten. Watson wijst erop dat de toeschrijving is gebaseerd op slechts één postscriptum onder een brief van Descartes aan zijn in Parijs vertoevende vriend Bregy, die hij vanuit Stockholm op de hoogte hield van zijn wederwaardigheden: ‘Om het pakketje wat groter te maken, zodat het niet makkelijk kwijtraakt, heb ik de versregels van een ballet toegevoegd, dat hier morgenavond wordt opgevoerd.’ Er is geen enkele aanwijzing te vinden voor de aanname van biograaf Baillet dat Descartes zelf de schrijver van de verzen was, wat hoe dan ook uitermate bijzonder zou zijn geweest, aangezien Descartes geen poëzie bedreef. Dat Descartes de bladen aan de brief toevoegde is niet zo vreemd, legt Watson aan de hand van deugdelijke bronnen uit. Descartes had zeer waarschijnlijk in Stockholm samen met Bregy het ballet La Diane Victorieuse gezien en wist zo dat zijn vriend een liefhebber van dit genre was. Daarom stuurde hij Bregy, die plotseling naar Parijs had moeten vertrekken vanwege de dood van zijn vader, de tekst van het nieuw geprogrammeerde ballet toe.

Vergelijking met geautoriseerde verwante balletteksten doet Watson vermoeden dat Hélie Poirier, in die periode aanwezig aan het Zweedse hof, de auteur was. (4) Helaas lukte het Watson niet daarvoor rechtstreeks bewijs te vinden in de vorm van signeringen of afschriften van betalingen. (5)

Ook al moeten we dus een slag om de arm houden bij de toeschrijving aan Poirier, je zou toch zeggen dat met Watsons bevindingen de anekdote over de ‘balletdichter Descartes’ voldoende op losse schroeven was gezet om deze voortaan als onbetrouwbaar terzijde te schuiven. Inderdaad lieten enkele ‘Christina-auteurs’ het verhaal na het verschijnen van Watsons artikel rusten, met name Garstein (6) en Lanoye (7), die het vast en zeker zouden hebben vermeld wanneer het niet dubieus zou zijn geweest. Susanna Åkerman onderstreepte in haar boek de conclusies van Watson zelfs nadrukkelijk en weidde uit over de betekenis daarvan. (8) Zoals te verwachten viel, was de boodschap voorbijgegaan aan minder serieuze auteurs, zoals Veronica Buckley, die in haar Christina-biografie weinig moeite heeft genomen om bronnen te verifiëren en zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het ongecontroleerd overschrijven van sappige anekdotes die ze bij anderen aantrof. (9)

Verbazingwekkender is het dat in zijn als serieus boek gepresenteerde Descartes – Zijn Nederlandse jaren de filosoof Hans Dijkhuis het verhaal over balletdichter Descartes in 2022 opnieuw ongeclausuleerd opdist. (10) Des te vreemder omdat de auteur zich elders in zijn boek ruimschoots baseert op de biografie van Richard Watson en dus geacht kan worden op de hoogte te zijn. Het minste wat je mag verwachten bij een zo omstreden claim als die van het auteurschap van La Naissance de la Paix, is, dat een onderzoeker die er om wat voor reden aan blijft vasthouden, daarvan rekenschap aflegt.

Niets daarvan bij Dijkhuis. Integendeel: hij laat zijn fantasie de vrije loop als hij zich voorstelt wat de dichtende Descartes allemaal in de tekst heeft willen leggen: ‘Descartes zelf heeft ongetwijfeld van zijn eigen ervaringen in Duitsland gebruikgemaakt voor sommige passages in De geboorte van de vrede, een gedicht op rijm dat hij in opdracht van de Zweedse koningin Christina maakte voor een ballet dat eind 1649 aan het hof van Stockholm werd opgevoerd om de Vrede van Westfalen te vieren. Hij beschreef een geteisterde aarde, waar de bossen zijn omgehakt, de steden en kastelen verwoest en de akkers verlaten; wat hij in het gedicht liet zeggen door de Estropiés, de oorlogsinvaliden, kwam ongetwijfeld uit zijn hart: “Wie ziet wat er van ons is geworden / En denkt dat de oorlog mooi is, / of meer waard is dan de vrede, / die is verminkt in zijn hersenpan.” ‘

Stug de solide argumentatie van Watson negerend die de conclusie wettigt dat de versregels hoogstwaarschijnlijk niet vloeiden uit de pen van Descartes, maar uit die van een echte dichter: Poirier.

__________

2 Baillet, Adrien, La Vie de Monsieur Descartes, Vol. II (1691), p. 395.

3 Descartes, René, Oeuvres de Descartes, ed. Adam et Tannery, Tome V, Parijs 1974, p. 616-627.

4 Watson, Richard A., ‘René Descartes n’est pas l’auteur de “La Naissance de la paix” ‘, in: Archives de Philosophie, juilliet-septembre 1990, Vol. 53, No. 3, La Politique Cartésienne, p. 389-401.

5 Watson, Richard A., Cogito, Ergo Sum. The Life of René Descartes, Boston, 2002, p. 303-304.

6 Garstein, Oskar, Rome and the Counter-Reformation in Scandinavia. The Age of Gustavus Adolphus and Queen Christina of Sweden, 1622-1656, Vol. IV, Leiden 1992.

7 Lanoye, Diederik, Christina van Zweden. Koningin op het schaakbord van Europa, 1626-1689, Leuven 2001.

8 Åkerman, Susanna, Queen Christina of Sweden and her circle. The transformation of a Seventeenth-Century Philosophical Libertine, Leiden 1991, p. 48.

9 Buckley, Veronica, Christina, koningin van Zweden, Amsterdam 2004, (Nederlandse vertaling van: Christina, Queen of Sweden, Londen 2004) p. 132-133.

10 Dijkhuis, Hans, Descartes. Zijn Nederlandse jaren, Amsterdam 2022, p. 37 en p. 407.

 

(Naar boven)

 

 

2. Saumaise was nooit rector van de Leidse universiteit

 

Over het verblijf van de Franse calvinist en filoloog Claude Saumaise aan Christina’s hof schrijft Garstein: ‘In the end he consented to pass more than one year in Stockholm, but he refused to settle there permanently or to resign his post as Rector of Leyden University, to which position he had been elevated a few years earlier.’ (11) En over zijn terugkeer naar Leiden: ‘He was unable to prolong his leave of absence from his post as Rector of Leyden University, and so was forced to quit the country.’ (12)

Echter: Saumaise is nimmer rector van de universiteit van Leiden geweest. Van 1632 tot zijn dood in 1653 was hij er hoogleraar. Hij had de bijzondere titel ‘Academiae Lugduni Batavorum Decus’ (sieraad van de universiteit van Leiden). In de senaat had hij een voorrangspositie. (13)

In de geschiedschrijving over Christina is de functie die Saumaise in Leiden bekleedde misschien een ondergeschikt punt, maar in die over Saumaise zelf en de Leidse universiteit is deze van essentiële betekenis. De positie van Saumaise in de senaat was een bron van tweespalt en intriges. Berucht zijn de jarenlange twisten tussen Claude Saumaise en Daniel Heinsius, wiens zoon Nicolaas met zijn kompaan Isaac Vossius daarna weer voor Saumaises voeten liep aan Christina’s hof. (14)

__________

11 Garstein, p. 575-576.

12 ibid., p. 642

13 Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme.

14 Vrieze, F.S. de, ‘Academic Relations between Sweden and Holland’, in: Leiden University in the Seventeenth Century. An Exchange of Learning, Leiden 1975, p. 345-365.

 

(Naar boven)

 

 

3. De drieëenheid Frederik van Hessen-Eschwege

 

Persoonsverwisselingen behoren tot het soort fouten waarvan een serieuze geschiedschrijver wakker hoort te liggen. Anders dan in romans, waarin het aantal namen bewust binnen de perken wordt gehouden zodat de lezers – en de auteurs zelf – kunnen onthouden wie wie is, loopt het aantal hoofd- en bijfiguren in een historisch werk al gauw uit de hand. Vandaar het register van personen, dat in zo’n boek niet mag ontbreken. In Passage naar Rome, het boek waarvan de lijst van fouten en fabels over Christina die u nu raadpleegt het bijproduct is, komen bijna 400 persoonsnamen voor, nog afgezien van de personen die alleen in de bronnenlijst of het notenapparaat worden vermeld. Of de schrijver nu wel of niet daadwerkelijk personen heeft verwisseld of niet, doet er eigenlijk niet eens toe: wakker liggen zal hij. Er kan immers altijd nog iemand aan de bel trekken omdat er toch een Janszoon met een Pieterszoon of een Urbanus IV met een Urbanus V blijkt te zijn verward. Nog meer oppassen geblazen is het als een hertog in het hertogdom dat hij van zijn grootvader erfde Carlo II van Gonsaga werd genoemd en in het hertogdom dat hij van zijn vader overnam Carlo III van Gonsaga (15), of als twee kemphanen in Sleeswijk-Holstein, namelijk de hertog van Sleeswijk-Holstein-Gottorp en zijn leenheer de koning van Denemarken, allebei Frederik III heetten. (16) En dus gaat het weleens mis.

Een bijzonder geval van persoonsverwisseling doet zich voor in het boek van Diederik Lanoye over Christina’s verblijf in de Spaanse Nederlanden: een samensmelting van drie personen tot één. Deze drieëenheid, door Lanoye aangeduid als Frederik van Hessen-Eschwege, figureert als ver familielid van Christina dat zich bekeert van het calvinisme tot het katholicisme en uiteindelijk als kardinaal de taak krijgt haar de laatste paar mijl naar Rome te begeleiden. Vooropgesteld: de familie Von Hessen heeft hier voor een wel zeer verraderlijke bananenschil gezorgd, waarover Lanoye jammerlijk is uitgegleden. Toch is na enig onderzoek naar de geschiedenis van de Von Hessen-dynastie de puzzel op te lossen.

Friedrich von Hessen-zu Eschwege, zoals hij in het Duits heet, was inderdaad familie van koningin Christina, zij het aangetrouwd: zijn echtgenote Eleonora Catharina was een nicht van Christina en zuster van Karl Gustav, die Christina zou opvolgen. Terwijl Christina nog koningin was en heimelijk haar eigen bekering voorbereidde, schreef zij merkwaardig genoeg aan Friedrich een waarschuwende brief waarin stond dat hij zich beter niet tot het katholicisme kon bekeren. Christina deed dat op verzoek van haar neef, de kroonprins, die bang was voor paapse invloeden in het Zweedse koningshuis via zijn zuster Eleonora Catharina. Die angst was veroorzaakt doordat een broer van Friedrich, Ernst von Hessen-Rheinfels, met zijn hele gezin tot het katholieke geloof was overgegaan. De vrees dat Friedrich dat voorbeeld zou volgen, bleek overigens ongegrond: die had daar in het geheel geen oren naar. (18) Friedrich was dus het aangetrouwde familielid, diens broer Ernst was de bekeerling.

De derde Von Hessen heette tot verwarring van Lanoye helaas ook Friedrich, maar zijn tweede achternaam luidde toch echt anders. We hebben het over Friedrich von Hessen-Darmstadt, die tot een heel andere tak van de Von Hessen-dynastie behoorde. Hij bekeerde zich op twintigjarige leeftijd tot het katholieke geloof en begon aan een roomse carrière die hem uiteindelijk de kardinaalshoed bezorgde. Deze kardinaal Von Hessen-Darmstadt kreeg de eervolle taak koningin Christina Rome binnen te leiden. (19) Nog geen half jaar later had Zijne Eminentie daar trouwens al spijt van, toen zij in een pamflet tegen de Spaans-Habsburgse lobby publiekelijk de vloer met hem aanveegde. (20)

__________

15 Godfroy, p. 393, n. 60.

16 ibid., p. 97.

17 Lanoye, p. 126-127, 147 en 184.

18 Godfroy, p. 63-64.

19 ibid., p. 249, 250, 258, 259, 358.

20 ibid., p. 293.

 

(Naar boven)

 

 

4. Christina’s ruiterportret: ‘slechts’ 3,40 m hoog en niet in Rome maar in Madrid

 

Je kunt fouten van anderen doorkopiëren maar ook die van jezelf. Dat bewees het Museo del Prado in Madrid door een tikfout in de schilderijencatalogus van 1920 vol te houden in alle gedrukte catalogi die nog zouden volgen t/m die van 1996. Bij de hoogte van het ruiterportret van koningin Christina van Zweden door Sébastien Bourdon had 3,38 m  moeten staan, maar er was per ongeluk 3,83 m van gemaakt. Na 1996 trad de catalogus het digitale tijdperk binnen en werd de fout eindelijk ontdekt en hersteld: 3,40 m staat er nu, toch nog twee centimeter hoger dan de maat die tot 1920 stond genoteerd.

Dat iedereen blind vertrouwt op de maten die een museum in zijn catalogus zet, blijkt uit alle publicaties waarin het doek in de loop van de twintigste eeuw passeerde. Telkens werd gewezen op de kolossale afmetingen: maar liefst 3,83 m hoog. Dat had betekenis, want het schilderij was door zijn omvang extra indrukwekkend en bovendien had men er in 1653, toen het van Stockholm naar Madrid was getransporteerd, de handen aan vol gehad. In de kunsthistorische beschouwingen was blijkbaar niet gekeken naar de hoogte van een ander schilderij waar het jarenlang naast had gehangen in de eetzaal van het Alcazar, het ruiterportret van aartshertog-kardinaal Ferdinand van Oostenrijk op het slagveld van Lützen in 1633 door Peter Paul Rubens. Dat was namelijk eveneens 3,40 m hoog en daarom hadden de twee doeken daar zo mooi bij elkaar gehangen. (21)

Minstens zo opmerkelijk is een andere misvatting over het ruiterportret van Christina. In haar biografie Queen Christina (1968) schreef Georgina Masson, dat het doek favoriet was bij de koningin en dat ze het daarom in haar slaapkamer in Palazzo Riario in Rome had hangen. Dat stond volgens haar vermeld op de inventarisatielijst, die na haar dood in 1689 van de inboedel was gemaakt. (22) Hoe ze tot die onjuiste lezing kwam – het schilderij staat niet op die lijst – weten we niet precies, want een nauwkeurige bronverwijzing ontbreekt. In haar boek geeft Masson geen blijk kennis te hebben van de verscheping van het schilderij in 1653 van Stockholm naar koning Filips IV in Madrid, net zo min als van het feit dat het, op een enkele expositie-uitlening in de twintigste eeuw na, Spanje nooit meer heeft verlaten.

De kopiërende biografe Veronica Buckley ging trouwens helemaal de mist in met deze uitglijder: zij maakte er het motto van bij het omslag van haar boek (2004). Dat liet het ruiterportret zien, waarbij ze aantekende: ‘Dit was haar favoriete portret, dat tot het einde van haar leven in haar slaapkamer hing.’ (23)

Niet dus. Het ging in 1653 als geschenk van Christina naar koning Filips IV in Madrid en daar is het nog altijd te bewonderen in het Museo del Prado. Voorzien van de inmiddels gecorrigeerde afmetingen in de catalogus. (24)

__________

21 Bottineau, Yves, ‘L’Alcazar de Madrid et l’inventaire de 1686. Aspects de la cour d’Espagne au XVIIe siècle’, afl. 4, in: Bulletin Hispanique, jrg. 60 1958 nr. 3. Bordeaux 1958, p. 292. Bayton, Gloria Fernández (ed.), Inventarios reales. Testamentaria del rey Carlos II. 1701-1703, Vol. I. Madrid 1975, p. 40-41.

22 Masson, Georgina, Queen Christina, Londen 1968, p. 313.

23 Buckley, p. 7.

24 Meer over dit onderwerp in het essay De geheimen van Christina’s ruiterportret door Frans Godfroy elders op deze site.

 

(Naar boven)

 

 

5. Niets bijzonders aan Christina’s kerkgang op de zondag van haar vertrek uit Stockholm

 

Toen koningin Christina enkele dagen na haar troonsafstand op 11 juni 1654 aan haar reis naar het zuiden begon, wist niemand in Zweden dat ze van plan was zich te bekeren tot het katholieke geloof. De weinige ingewijden bevonden zich elders in Europa en haar voornemen moest voorlopig geheim blijven. Volgens enkele historici woonde ze vlak voor haar vertrek publiekelijk een Lutherse avondmaaldienst bij om iedereen te laten zien dat er wat dat betreft geen vuiltje aan de lucht was.

Maar waar baseren deze onderzoekers zich op?

Curt Weibull vermeldde de avondmaaldienst in zijn Engelstalige boek uit 1966 (25), niet in zijn Zweedse boek uit 1931 waarop die Engelstalige editie grotendeels is gebaseerd (26). Het jammere daarvan is dat het Zweedse boek wel, maar het Engelse boek geen noten bevat, zodat we niet kunnen vaststellen uit welke bron hij putte.

Ontleende hij het verhaal misschien aan Linage de Vauciennes, de enige contemporaine bron waar het te vinden is? Daar lezen we: ‘Omdat de koningin had vernomen dat de predikanten het gerucht onder de bevolking hadden verspreid dat zij het koninkrijk verliet met de bedoeling katholiek te worden en dat zij in het land moest worden gehouden om dat te voorkomen, bleef ze expres nog op zondag in Stockholm om aan de avondmaaldienst deel te nemen in de grote kerk, ten teken dat dat gerucht onjuist was en dat zij een zeer goede lutheraanse was.’ (27)

Het probleem is, dat Curt Weibull op basis van onderzoek dat door zijn vader Martin Weibull was ingezet, tot de conclusie was gekomen dat de latere delen van Linage de Vauciennes, die uit de koker kwamen van François Picques, secretaris van de Franse ambassade in Stockholm, volstrekt onbetrouwbaar zijn. (28) Het citaat over de avondmaaldienst maakt daar deel van uit. Wie de teksten van Picques kritisch beschouwt kan Weibull geen ongelijk geven. Ze bevatten tal van onbewezen anekdotes en roddels, die dikwijls Christina en de Spaanse ambassadeur Pimentel in een minder gunstig daglicht stellen, en interpretaties die niet worden hard gemaakt of op halve waarheden berusten.

Dat laatste geldt zeker ook voor het citaat over de avondmaalviering, waar Picques precies lijkt te weten welke verborgen agenda Christina had met het ‘expres’ in Stockholm blijven voor de lutherse eredienst op de zondag van haar vertrek, terwijl daarvoor geen enkel bewijs voorhanden is. Christina ging waarschijnlijk iedere zondag ter kerke. Misschien ging ze doorgaans naar de paleiskapel, maar ook in de Storkyrkan, de ‘hoofdkerk’ van Stockholm, had het hof gereserveerde plaatsen. Had ze de bedoeling zich voor te doen als een goede lutheraanse? Vast en zeker. Maar die bedoeling had ze altijd al en helemaal sinds ze het geheim bij zich droeg – inmiddels drie jaar – dat ze besloten had katholiek te worden. ’s Zondags bij de dominee naar de kerk? Er zat weinig anders op.

Bij de vraag of Weibull zijn kritische houding tegenover Picques even heeft laten varen en in dit geval op diens dubieuze getuigenis is afgegaan, dient tot Weibulls verdediging te worden aangevoerd dat hij de complottheorie van Picques achterwege heeft gelaten en slechts vermeldt dat de koningin ‘op zondag 11 juni deelnam aan de avondmaaldienst in de Storkyrkan in de hoofdstad’.

In dat opzicht is er meer mis met de behandeling van deze passage door twee andere auteurs.

Garstein, die de kritiek op Picques’s werkwijze volledig onderschrijft (29), zal opgetogen zijn geweest toen hij in plaats van diens versie een andere kapstok had gevonden waaraan hij de kerkgang van Christina op 11 juni 1654 meende te kunnen ophangen (30): twee brieven van Christina’s bibliothecaris en leraar Latijn Nicolaas Heinsius. Daarin deed deze aan zijn correspondentievrienden Carolus Datus en Cassianus Puteus verslag van Christina’s troonsafstand en vertrek uit Stockholm. (31) Het merkwaardige is dat in geen van beide brieven sprake is van een avondmaaldienst die Christina zou hebben bijgewoond. Hoe komt Garstein dan tot deze overduidelijk foutieve verwijzing? Het lijkt erop dat een zeer slordige vertaling uit het Latijn in een van de brieven de oorzaak is. Heinsius schreef aan Puteus: ‘Postero die sacramentum Regi est praestitum a quatuor Regni Ordinibus; …’ De woorden sacramentum Regi slaan hier op de eed van trouw die daags na de troonswisseling door de vier standen van het land (a quatuor Rengi Ordinibus) tegenover de nieuwe koning Karl X Gustav werd afgelegd. Garstein lijkt er het sacrament van het avondmaal in te hebben gezien zonder vast te stellen hoe die term in de rest van de zin paste. Meteen nam hij ook de interpretatie over die Picques eraan had gegeven. Onder verwijzing naar de twee brieven schrijft hij: ‘According to one contemporary source she put in an appearance at the Lutheran Communion Table, receiving the Sacrament in public, it is believed the last time.’ Waarbij in het vage blijft wie hij met ‘one contemporary source’ bedoelt: Picques of Heinsius?

Het kon niet uitblijven dat de interpretatie van Garstein navolging kreeg. Lanoye schreef in zijn boek over Christina’s episode in de Spaanse Nederlanden met dezelfde twee brieven als bron: ‘Om de Zweedse koning gerust te stellen deed ze er alles aan om geen aanstoot te geven en de geruchten over haar nakende bekering te ontkrachten. Haar bibliothecaris Nicolaas Heinsius vermeldt in zijn brieven dat de koningin tijdens de laatste dagen van haar verblijf in Stockholm nog was verschenen aan het lutherse avondmaal. Dit zou dan een van de eerste keren zijn dat de koningin was ingegaan tegen haar nieuwe geloofsopvattingen.’ (32)

Maar Heinsius heeft het nergens over een dergelijke gebeurtenis. Bovendien was het noch een van de eerste keren (Lanoye), noch de laatste keer (Garstein) dat Christina in aanloop naar haar bekering een lutherse kerkdienst bijwoonde. Vermoedelijk voor de laatste keer bezocht Christina enkele weken daarna een avondmaaldienst in de lutherse Petrus-kerk in Hamburg, waar ze aanschoof met familieleden en bekenden. (33)

__________

25 Weibull, Curt, Christina of Sweden, Stockholm 1966, p. 92.

26 Weibull, Curt, Drottning Christina. Studier och forskningar, Stockholm 1931.

27 Linage de Vauciennes, Pierre, Mémoires de ce qui c’est passéen Suède, et aux provinces voisins, depuis l’année 1645 jusques en l’année 1655. Tirez des depesches de M. Chanut, Vol III, Parijs 1675, p. 445.

28 Weibull, Martin, ‘Drottning Kristina och Klas Tott’, in: Lunds Universitets Års-skrift, Vol. 29. Lund 1894, p. 3-6. Garstein, p. 537-538.

29 Garstein, p. 537-538.

30 ibid., p. 723.

31 Heinsius, Nicolaas, brief aan Carolus Datus, Uppsala 19 juni 1654 en brief aan Cassianus Puteus, Uppsala 19 juni 1654, in: Clarorum Belgarum Epistolae ad Magliabechium, Vol I (1745), p. 199 en 205. 

32 Lanoye, p. 41

33 Hamburgensie Nr 1128/Tratziger Chronik, bis 1699, Das Editionsprojekt hamburger-chronik.de, p. 420-421

 

(Naar boven)

 

 

6. Het reisgezelschap werd al gauw opgehouden door ziekte van Christina, maar niet in Brokind

 

Christina moest haar reis al na enkele dagen onderbreken vanwege een longaandoening die opspeelde. De zeventiende-eeuwse chroniqueur Gualdo Priorato, die in 1656 Christina’s bekeringsreis van Stockholm tot Rome te boek stelde, schrijft dat ze acht dagen rust nam in het huis van de edelman Natt och Dag, acht Zweedse mijl ten zuiden van Jönköping. Verdere aanduidingen ontbreken. (34) Welke telg van deze bekende Zweedse familie bood haar gastvrijheid en waar stond dat huis precies? De familie Nastt och Dag woonde in Brokind in Östergötland, en dat is niet acht Zweedse mijl (ongeveer 85 km) ten zuiden van Jönköping maar dertien mijl (ongeveer 140 km) ten noordoosten daarvan. Het probleem dat men in de door Gualdo Priorato aangegeven regio Smäland anno 1654 geen huizen van de familie kon vinden, werd door verschillende auteurs op uiteenlopende manieren opgelost.

Garstein en Lanoye laten de inzinking van Christina in hun verhaal achterwege. Garstein schrijft zelfs: ‘… she travelled at great speed south-westwards across Sweden to Halmstad close to the Danish frontier’ (35) en volgens Lanoye ‘stak ze in allerijl het zuiden van Zweden over naar de provincie Halland’ (36). Het klopt dat het gezelschap per reisdag flinke afstanden overbrugde, maar over het geheel genomen ging het juist tamelijk langzaam doordat er vanwege de ziekte van de koningin reisdagen uitvielen, al waren het er waarschijnlijk geen acht, zoals Gualdo Priorato aangeeft, maar vier à vijf. (37)

Vader en zoon Weibull vermelden het oponthoud wel, maar laten Christina bijkomen in de residentie van de familie Natt och Dag in Brokind. (38) Helaas past die locatie op geen enkele manier in Christina’s reisplan en in de route die Gualdo Priorato beschrijft. Zelfs als we die beschrijving niet zouden vertrouwen, is er geen logische verklaring te vinden waarom ze daar neerstreek. Men zou kunnen bedenken dat ze een omweg voor lief nam omdat ze tijdens de reis ziek werd en een bed zocht. Maar erg plausibel is dat niet, want ze had net een rustdag gehad in het koninklijk kasteel van Linköping, twee en een halve mijl naar het noorden, waar ze in dat geval beter had kunnen blijven of naar had kunnen terugkeren. (39)

Dus toch maar verder gezocht naar leden van de familie Natt och Dag in de aangegeven regio, Småland, circa acht mijl ten zuiden van Jönköping. Uiteindelijk hebben we er een gevonden, en niet de minste. Carl Persson Natt och Dag, lid van de Zweedse rijksdag, bewoonde in 1654 het landhuis Toftaholm, dat van zijn moeder was. (40) Rechtstreeks bewijs dat Christina daar verbleef ontbreekt, maar Toftaholm lag in ieder geval op de aangeduide locatie. Kleine complicatie: Carl Persson Natt och Dag zelf kan Christina niet hebben ontvangen, want hij bevond zich op dat ogenblik in Uppsala voor de rijksdag. (41) Wellicht heeft zijn echtgenote de honneurs waargenomen.

__________

34 Gualdo Priorato, Galeazzo, Historia della Sacra Real Maestà di Christina Allessandra, Regina di Svetia &c., Rome 1656, Boek 1, p. 36-37

35 Garstein, p. 723.

36 Lanoye, p. 35.

37 Godfroy, p. 379, n. 54.

38 Weibull, Martin, p. 23, n. 2. Weibull, Curt, 1966, p. 93.

39 Godfroy, p. 378-379, n. 53.

40 Rosman, Holger, Bjärka-Säby och des ägare, Stockholm 1923-1927, Vol II, p. 77-140.

41 Sveriges ridderskaps och adels riksdagprotokoll, 1652-1654, p. 161-278.

 

(Naar boven)

 

 

7. Sprong naar de vrijheid over een niet bestaand grensbeekje

 

Vaak is het roeien tegen de stroom in, maar een enkele keer heeft het weerspreken van uit de lucht gegrepen roddelpraatjes effect. Zo beweert bijna geen enkele auteur meer dat koningin Christina, aangekomen bij het beekje ten zuiden van het stadje Laholm dat de grens vormde tussen Zweden en Denemarken, daaroverheen zou zijn gesprongen onder de kreet ‘Eindelijk vrij en weg uit Zweden, waar ik nooit meer hoop terug te keren.’ Een uitzondering is de Franse hoogleraar Bernard Quilliet, die het in 1982 staande hield in zijn van roddelpraat en erotische fantasieën bolstaande biografie van de koningin. (42)

Martin Weibull maakte in 1892 al korte metten met dit zoveelste verzinsel van de Franse ambassadesecretaris François Picques. (43) Moeilijk was dat niet, want wijzend op de landkaart van 1654 kon hij aantonen dat daar aan de grens helemaal geen beekje liep. (44)

Toch wordt de anekdote niet alleen door Quilliet, maar ook door vrijwel alle andere Christina-auteurs nog altijd vermeld, al tekenen die er dan wel bij aan dat het een fabeltje is.

__________

42 Quilliet, Bernard, Christina van Zweden. Een uitzonderlijke vorst, Schoten 1987 (vertaling van: Christine de Suède, Parijs 1982), p. 195.

43 Linage de Vauciennes, Vol. III, p. 461.

44 Weibull, Martin, p. 23, n. 2.

 

(Naar boven)

 

 

8. Deense sprookjes (1)

 

Ver voordat Hans Christian Andersen er Denemarken mee op de kaart zette, zorgde Christina’s doortocht door dat land al voor Deense sprookjes. Een daarvan kwam uit de koker van de secretaris van de Franse ambassade in Stockholm, François Picques. Zoals we hiervoor zagen, richtte deze in zijn geschriften de pijlen graag op koningin Christina en ambassadeur Pimentel, die haar door de Spaanse koning Filips IV was toegevoegd en op wie zij zeer gesteld leek. Zij had voor Pimentel de Orde van de Amaranthe opgericht, waarvan de leden moesten beloven niet te zullen trouwen – of althans niet meer te zullen trouwen – en waarin behalve Christina uitsluitend door haar uitverkoren heren werden toegelaten. Picques hoorde daar niet bij. (45) Op dat intrigerende genootschap was Picques’ sprookje geïnspireerd en het zou als volgt kunnen worden samengevat.

Er was eens een koningin, Christina, die niet gelukkig was met haar troon en met haar geloof en daarom onder valse voorwendsels en in vermomming haar land verliet. Toen ze nog maar net de grens over was, voelde ze zich zo bevrijd dat ze dronken van blijdschap werd en zich heel vreemd ging gedragen, vreemder nog dan ze al had gedaan toen ze over haar eigen land regeerde. Uitgedost als man belandde ze met haar reisgenoten in een herberg, waar de maaltijd werd gebruikt. Als dessert bestelde ze een glas wijn. Midden in de eetzaal ging ze op haar knieën en bracht zo een toost uit op de schoonheid van het vuur. Daarop gebood ze de rest van het gezelschap hetzelfde te doen. De kleur van het ordelint van het Amaranthe-genootschap had de kleur van vuur en het betekende dan ook dat een toost werd uitgebracht op de gezondheid van Pimentel. Aldus François Picques. (46)

Het is de vraag of Picques werkelijk de bedoeling had zijn lezers in dit onwaarschijnlijke verhaal te laten geloven. Het lijkt meer op spotternij waarom gelachen zou moeten worden. Maar daarvoor was de ironie dan weer te zeer verzuurd door afgunst.

__________

45 Godfroy, p. 95.

46 Linage de Vauciennes, Vol. III, p. 461.

 

(Naar boven)

 

 

9. Deense sprookjes (2)

 

Madame du Noyer, geboren Anne-Marguerite Petit, was bekend in heel Europa. Ze werd geboren toen koningin Christina 36 was, dus de twee waren min of meer tijdgenoten. Er kan ook sprake zijn geweest van een soort zielsverwantschap, want net als Christina bekeerde Madame du Noyer zich van het protestantisme tot het katholieke geloof, al zou zij zich later terugbekeren tot het protestantisme. Zij wordt wel de eerste vrouwelijke journalist van Europa genoemd en staat bekend om haar indrukwekkende productie. Geen wonder dat haar verhalen in veel historische boeken over de periode waarin zij leefde (1663-1719) zijn terug te vinden. Er is echter een probleem: haar teksten zijn lang niet altijd betrouwbaar. Graag smukte ze de geschiedenis op en ongecheckte roddels en geruchten belandden gemakkelijk in haar geschriften, als ze maar smakelijk genoeg waren. Het tweede Deense sprookje waar we bij stilstaan, vloeide dan ook uit haar pen. Hier een beknopte weergave, en als het lijkt op andere sprookjes dan is dat geen vergissing: sprookjes vertonen nu eenmaal vaak opvallende overeenkomsten.

Er was eens een koningin, Christina, die niet gelukkig was met haar troon en met haar geloof en daarom onder valse voorwendsels en in vermomming haar land verliet. Toen ze nog maar net de grens over was, voelde ze zich zo bevrijd dat ze dronken van blijdschap werd en zich heel vreemd ging gedragen, vreemder nog dan ze al had gedaan toen ze over haar eigen land regeerde. Uitgedost als man belandde ze met haar reisgenoten in een herberg, waar de maaltijd werd gebruikt. Het buurland waar ze zich nu bevond had ook een koningin, Sophia Amalia, al was die koningin geworden door te trouwen met de koning, wat dus eigenlijk moeilijk te vergelijken was met de majesteitelijke positie van Christina. Die had zelf haar land geregeerd en met behoud van haar koninklijke status op eigen initiatief afstand van de troon had gedaan.

Er werd op dit ogenblik geen oorlog gevoerd, maar van een warme relatie tussen beide landen en hun vorstenhuizen kon je niet spreken. Sophia Amalia had gehoord dat Christina incognito en vermomd als man met enkele ruiters door haar land trok. Ook had ze vernomen in welke herberg het gezelschap die dag zou eten en ze besloot de Zweedse indringster met gelijke munt terug te betalen. Zich vermommen, dat kon Sophia Amalia ook. Ze trok een jurkje van een serveerster aan en nam die dag de bediening in de betreffende herberg waar. Tijdens de maaltijd onderhield Christina zich met haar reisgenoten waarbij ze de Deense koning, waar ze weinig mee op had, door het slijk te haalde. Achteraf hoorde ze dat de serveerster, die alles had gehoord, de Deense koningin was. Maar het deerde Christina niet en ze zei: ‘Dan is haar overkomen, wat de meeste nieuwsgierige mensen gebeurt. Ze doen ontdekkingen waar ze niet blij van worden.’ (47)

Dat Madame de Noyer in heel Europa bekend was om haar onderhoudende journalistiek, valt na lezing van zo’n verhaal wel enigszins te begrijpen. Een serieuze historicus echter zal aan dit relaas geen waarde hechten. Toch nam de negentiende-eeuwse diplomaat en geschiedschrijver Charles de Burenstam, die een boek schreef over het verblijf van koningin Christina in de Spaanse Nederlanden, het voor waar aan. (48)

__________

47 Noyer, Anne Marguerite du, Lettres Historiques et Galantes, Vol III, Londen 1757, p. 186-187.

48 Burenstam, Charles de, La reine Christine de Suède à Bruxelles et à Anvers, Brussel 1891, p. 5.

 

(Naar boven)

 

 

10. Hardnekkige roddel: joodse lesbische courtisane voor Christina

 

Zijn verantwoorde onderzoeksmethoden in het vakgebied geschiedschrijving nog wel algemeen geldend? Sommige historici lijken ze overboord te hebben gezet. Zo put de bekende Franse geschiedschrijver en lid van de Académie Française Bernard Quilliet in zijn biografie Christine de Suède, un roi exceptionel (1982, 2007) aan de lopende band uit notoir onbetrouwbare bronnen. (49)

Een saillant voorbeeld is het verhaal dat Christina tijdens haar bekeringsreis in Hamburg, waar ze enige tijd logeerde bij haar joodse bankier Diego Texeira, de beschikking zou hebben gekregen over een lesbische courtisane, Rachel genaamd, een nicht van Diego. Waarschijnlijk was Quilliet zich bij het schrijven heel goed bewust van de wankele basis waarop deze overlevering berust, want hij vermijdt de oorspronkelijke bron te vermelden, hoewel de betreffende passage in zijn boek (50) opvallende overeenkomsten vertoont met het anonieme van verzinsels en lasterpraatjes aaneen geregen 17e-eeuwse schandaalpamflet, waarin we lezen: ‘…elle devint amoureuse d’une Juifve, qu’elle menoit publiquement dans son carosse, et qu’elle faisoit coucher quelques fois avec elle’. (51)

Onder Christina’s talrijke Hamburgse vijanden is dit verhaal door de eeuwen heen verder verteld en van nieuwe details voorzien. Daaruit put Quilliet eveneens. Verwijzend naar een obscure 19e-eeuwse publicatie uit die omgeving, waarvan titel noch auteur – ene Konrad Danelius – in hedendaagse bibliotheekcatalogi zijn terug te vinden, weet Quilliet te melden dat het gaat om de nicht van Diego Texeira , ‘een  zeer mooie, jonge bruine vrouw, genaamd Rachel Sylw of Silva, een gerenommeerde lesbienne, die al zoveel genot bezorgd had aan meerdere voorname dames, in de stad en de kastelen uit de omgeving’. Volgens Danelius moest ze achteraf voor een familieraad verschijnen om over haar diensten aan Christina verantwoording af te leggen, wat niet erg logisch klinkt tegen de achtergrond van de professionele reputatie die ze reeds had. Misschien dat Danelius haar daarom laat antwoorden dat haar werkzaamheden ten behoeve van ‘een van de meest glorierijke koninginnen van Europa meer tot eer strekken dan tot schande’. (52)

Quilliet serveert het allemaal voor zoete koek uit. Hij laat zich ook niet hinderen door de antisemitische context van de verdachtmakingen, die kenmerkend was voor de houding van het lutherse Hamburg tegenover de joodse gemeenschap en de familie Texeira in het bijzonder. (53)

__________

49 Haffemayer, Stéphane, recensie Bernard Quilliet – Christine de Suède, 2003. Zie ook de voorbeelden op deze webpagina.

50 Quilliet, p. 111.

51 Recueil de quelques Pieces Curieuses, Servant à l’Esclaircissement de l’Histoire de la Vie de la Reine Christine. Ensemble plusieurs Voyages qu’elle à faites. Keulen 1668, p. 44.

52 Danelius, Konrad, Christina von Schweden als Königin, Cottbus 1866-1868, p. 79. Onvindbaar op WorldCat, maar geciteerd door Quilliet, p. 111-112.

53 Stern, Selma, Der Hofjude im Zeitalter des Absolutismus. Tübingen 2001, p.94-103.

 

(Naar boven)

 

 

11. Dubieuze bron wordt niet betrouwbaarder als het een keer goed uitkomt

 

In deel 4 van zijn standaardwerk Rome and the Counter-Reformation in Scandinavia heeft de Noorse historicus Oskar Garstein een belangrijke bijdrage geleverd aan de kritische analyse van al hetgeen aangaande koningin Christina is overgeleverd. Van grote waarde is zijn systematische doorlichting van de talrijke historische bronnen. (54) Bij veel van die bronnen plaatst hij kanttekeningen en sommige schuift hij als compleet onbetrouwbaar terzijde. Tot de laatste categorie behoren twee anonieme smaadschriften uit 1655, die aan A.H. Saint-Maurice worden toegeschreven, La Genie de la Reyne Christine en Brieve Relation de la Vie de Christine, Reyne de Suède, jusque à la demission de sa Couronne et son arrivement à Bruxelles. Anderen waren Garstein in zijn kritiek al voorgegaan en Saint-Maurice wordt tegenwoordig niet meer als serieuze historische bron beschouwd. (55)

Toch lijkt ook Garstein soms de verleiding niet te kunnen weerstaan om zo’n afkeurend oordeel even opzij te zetten voor een mooi klinkend verhaal. In La Genie de la Reyne Christine staat het te lezen. Toen Christina in Hamburg was gearriveerd koos ze ervoor om bij haar joodse bankier Diego Texeira in te trekken (‘un Medecin Juif’, maakt Saint-Maurice ervan). Sommige senatoren waren daar verbolgen over en predikanten spraken er vanaf de kansel schande van dat ze bij ‘een vijand van Jezus Christus’ logeerde. De koningin zou op de kritiek hebben geantwoord, dat Jezus, zelf joods, zijn hele leven met joden was omgegaan. (56)

Misschien vond Garstein het een mooi statement van Christina waarin ze afstand nam van antisemitisme en heeft hij het daarom toch maar overgenomen. (57) Maar het komt uit een onbetrouwbaar tegen Christina gericht smaadschrift en het is de vraag of het allemaal zo vriendelijk is bedoeld. Met het verhaal werd de kritiek van de predikanten immers nog eens dik onderstreept en de reactie van Christina mag dan snedig zijn geweest, het was ook behoorlijk brutaal van haar om zich op één lijn met Jezus te plaatsen. De uitsmijter van Saint-Maurice staat er niet voor niets: ‘Jugez vous mesmes de la responce.’ [‘Oordeelt u zelf over het antwoord.’ ]

__________

54 Garstein, p. 525-546.

55 ibid., p. 537.

56 Saint-Maurice, A.H., Brieve Relation de la Vie de Christine, Reyne de Suède, jusque à la demission de sa Couronne et son arrivement à Bruxelles, Parijs 1655. p. 10-11.

57 Garstein, p. 725.

 

(Naar boven)

 

 

12. Ontvangst in Wandsbeck niet door Albert Behrens maar door broer en zus Marselis

 

Hoe makkelijk missers de geschiedschrijving binnendringen, wordt duidelijk aan de hand van de bijdrage van Hermann Kellenbenz over Christina’s wederwaardigheden in Hamburg in de bundel Queen Christina of Sweden – Documents and Studies (1966). Daarin schrijft hij, dat koningin Christina zich de laatste dag van haar oponthoud in Hamburg in juli 1654 met een groot gezelschap ‘door de Deense vertegenwoordiger in Hamburg en kasteelheer van Wandsbeck, de rijke Albert Balthasar Berens’ in diens slot liet fêteren. (58) Kellenbenz heeft dit waarschijnlijk ontleend aan de als betrouwbaar beschouwde contemporaine Hamburger Chroniken, die hij als een van zijn bronnen opvoert. Daar lezen we inderdaad: ‘… da sie zu Wandsbeck auf Albert Balzar Behrens Hoffe vom Landt  Grafen von heßen, und andern hohen Standes persohnen tractiret worden,…’ (59) Daarmee heeft Kellenbenz zo te zien een goede bron. Toch klopt zijn informatie niet. Albert Behrens was namelijk op het moment van de receptie al circa twee jaar dood. (60) Misschien werd het kasteel nog steeds met zijn naam aangeduid. In dat geval klopte de informatie van de kroniek strikt genomen wel, hoewel die tekst latere onderzoekers natuurlijk op het verkeerde been zet.

Zou Kellenbenz de informatie hebben nagetrokken, dan zou hij overigens interessante gegevens hebben aangetroffen, die de cirkel hadden kunnen rondmaken. Hij zou namelijk hebben gezien dat de weduwe van Behrens een zuster was van de Hollandse koopman Leonard Marselis. Op diens landgoed Ottensen had Christina vlak voor haar onvangst in de stad een ontmoeting gehad met hertog Frederik III van Sleeswijk-Holstein-Gottorp in verband met de uithuwelijking van een van zijn dochters aan de Zweedse koning. (61) Leonard Marselis was een zeer belangrijke geldschieter van zowel de koning van Denemarken als de hertog. Het handelshuis van wijlen Albert Behrens werd nu door een vennootschap van de weduwe, Elisabeth, en haar broer Leonard Marselis voortgezet. Christina werd in Wandsbeck dus voor de tweede keer ontvangen door leden van de machtige aan Denemarken en Sleeswijk-Holstein gelieerde Hollandse koopmansfamilie Marselis. (62)

__________

58 Kellenbenz, Hermann, ‘Königin Christina und ihre Beziehungen zu Hamburg’, in: Platen, Magnus von (ed.), Queen Christina of Sweden. Documents en Studies. Stockholm 1966, p. 189.

59 Hamburgensie Nr. 1128/ Handschriftliche sogenannte Traziger Chronik, fortgeführt/ bis 1699. Das Editionsproject hamburger-chronik.de, p. 421.

60 Amburger, Erik, Die Familie Marselis. Studien zur russischen Wirtschaftsgeschichte. Gießen 1957, p. 55.

61 Godfroy, p. 98-99.

62 Amburger, p. 55.

 

(Naar boven)

 

 

13. Nepnieuws over Christina’s jezuïtisme in de eerste roomse stad die ze aandeed: Münster

 

Met haar troonsafstand en bekering en de acties die ze daarop liet volgen, wekte koningin Christina veel weerstand en lokte ze roddels en lastercampagnes uit. De vervuiling van de overlevering is voor een belangrijk deel aan de daarbij verspreide falsificaties te wijten. Langs diverse sluiproutes werden die deel van de geschiedschrijving. Een handige kapstok was het reisverhaal van de hand van chroniqueur Gualdo Priorato, dat al in 1656 verscheen. Aan de door hem geboekstaafde wederwaardigheden van de koningin werden door haar vijanden naderhand smeuïge en kwaadaardige verzinsels toegevoegd.

Een voorbeeld is het verhaal over het bezoek dat Christina tijdens de reis naar het zuiden aflegde aan het jezuïetencollege Paulinum in Münster, de eerste katholieke stad die ze aandeed. In Gualdo Priorato’s Historia lezen we daarover, dat ze na een overnachting in de stad incognito een bezoek aan het college en de kerk van de jezuïeten bracht, waarbij ze herkend werd door een van de paters die een portret van haar had. Maar die wilde haar het plezier van het incognito reizen niet ontnemen en zweeg erover. (63)

Een heel andere wending krijgt het bezoek in een ‘anonieme brief aan een onbekende medebroeder’, zogenaamd geschreven door een van de jezuïeten in Münster en gepubliceerd bij Arckenholtz. Christina maakte zich volgens dat geschrift juist wel bekend bij de paters, liet zich rondleiden en ging met hen in debat. Ze zat ook aan in de refter waar ze zich niet erg beleefd gedroeg. Nadat haar een glas wijn was ingeschonken dronk ze een teugje en gooide het restant met een wijds gebaar weg met de woorden: ‘Ik ben geen grote wijndrinker’. Daarna deed ze de paters een schenking van honderd dukaten en vertrok. (64)

Uit dit verhaal rijst een beeld op van Christina, dat de lutherse predikanten in Noord-Europa hun gelovigen graag voorhielden: ze heulde met de gehate jezuïeten en ze wist zich bovendien niet koninklijk te gedragen. Maar het is een hoogstonwaarschijnlijke voorstelling van zaken. Het ligt volstrekt niet voor de hand dat Christina en haar reisgenoten van hun bezoek aan de jezuïeten in Münster zo’n nummer hebben gemaakt, alleen al omdat ze nog heel wat protestants gebied door moesten en er geen belang bij hadden de gemoederen daar te verhitten. De anonieme afzender en de anonieme geadresseerde maken het geheel nog zwakker. Desondanks duikt het hier en daar als waargebeurd op, zoals bij de 19e-eeuwse Engelse auteur Bain, die veel dubieuze vertelsels kritiekloos overneemt. (65)

Garstein onderstreept de ongeloofwaardigheid door erop te wijzen dat het ondenkbaar is dat een publieke ontvangst van de koningin niet zou zijn vermeld in de annalen van de jezuïeten, die in overeenstemming met de orderegels elke gebeurtenis van enige betekenis noteren. Maar dan draaft hij door als hij aan het fantaseren slaat over de manier waarop deze fabel tot stand is gekomen. Hij wijst erop dat de naam Münster terugkomt in de naam Neumünster. Daar had Christina de hertog van Sleeswijk-Holstein-Gottorp en zijn dochters ontmoet om een bruid te vinden voor haar neef koning Karl X Gustav. Bij die aangelegenheid waren eveneens portretten in het spel: die werden naar de aanstaande bruidegom gestuurd. (66)

Hoe ver kun je het zoeken? Terwijl de herkomst van het verhaal voor het grijpen ligt in de sobere geloofwaardige versie bij Gualdo Priorato, die elders door Garstein als een zeer betrouwbare bron wordt beschouwd.

__________

63 Gualdo Priorato, Boek 2, p. 44-45.

64 Arckenholtz, Johann, Mémoires concerant Christine, reine de Suède, pour servire d’éclaircissement à l’histoire de son règne et principalement de sa vie privée et aux événements de son temps civile et literaire, Amsterdam & Leipzig 1751-1760. Vol. II (1751), Appendice p. 104-106 (No. 54).

65 Bain, F.W., Christina, Queen of Sweden, Londen 1890, p. 248.

66 Garstein, p. 729.

 

(Naar boven)

 

 

14. Ontmoeting met Anna Maria van Schurman: geniaal verzonnen

 

Een verzinsel dat in een goed klinkend verhaal is verpakt, vindt gemakkelijker ingang. Een geslaagd voorbeeld daarvan vinden we in Gynaeceum doctum, dat in 1682 werd uitgegeven door de lutherse universiteit van Wittenberg. De geschiedenis in kwestie is zo goed bedacht, dat ze tot op de dag van vandaag door sommigen serieus wordt genomen, hoewel hetgeen erin wordt beweerd onmogelijk waargebeurd kan zijn.

Koningin Christina zou onderweg naar het zuiden bij de in Utrecht woonachtige calvinistische Anna Maria van Schurman op visite zijn geweest. Van Schurman stond in haar eigen tijd al bekend als savante. Ze was opgekomen voor het recht van vrouwen om hoger onderwijs te volgen. Vanwege haar uitzonderlijke intelligentie en leergierigheid werd gedoogd dat zij van achter een gordijn de colleges aan de universiteit van Utrecht bijwoonde. Daarmee had ze een uitzonderingspositie, want studeren was eigenlijk voorbehouden aan mannen. Tot op de dag van vandaag wordt ze door de Utrechtse universiteit geëerd als de allereerste studente.

Volgens Gynaeceum doctum bracht Christina vergezeld van enkele jezuïeten deze wijze vrouw uit de Lage Landen een bezoek. Christina en de paters gebruikten de gelegenheid om Anna Maria het vuur na aan de schenen te leggen over allerlei theologische kwesties, maar die liet zich niet omver praten. De jezuïeten verbaasden zich daarover en vroegen haar of ze soms door een huisgeest werd geholpen. Anna Maria antwoordde: ‘Zeker, het is de geest waardoor ik leef en adem.’ (67)

De schrijver Pascius van het boekwerk, een compendium van geleerde voruwen, heeft de lemma’s allemaal goed gedocumenteerd met bronvermeldingen, maar het valt op dat bij het verhaal over de ontmoeting tussen Christina en Anna Maria zo’n verwijzing ontbreekt. Dat lijkt geen toeval, want het kan onmogelijk zo zijn gebeurd. Koningin Christina is maar eenmaal in haar leven in Utrecht geweest, namelijk in 1654 op doorreis van Hamburg naar Antwerpen. Daar waren geen jezuïeten bij. Alleen haar kamerheer Wolf, haar opperstalmeester Steinberg en drie bedienden reisden met haar mee. Geen van hen was op de hoogte van haar bekeringsplan. Ook in het reisgezelschap dat haar volgde bevonden zich geen ingewijden. Daar komt bij dat een onverwacht bezoek van Christina met jezuïeten aan de zeer antipaapse Anna Maria in de calvinistische republiek een enorm schandaal zou hebben verwekt. Ook tijdens Christina’s verblijf in de Spaanse Nederlanden vindt men geen enkele aanwijzing van een dergelijke ontmoeting. Het is ondenkbaar dat dat niet in de annalen van Gualdo Priorato of in de ambtsberichten van de ambassadeurs Montecuccoli en Pimentel en van internuntius Mangelli zou zijn vermeld.

Het verhaal vond niettemin gretig aftrek in protestantse kring en werd in de achttiende eeuw doorverteld door de lutherse schrijvers Paullini en Mollerus, in de negentiende eeuw door de hervormde predikant Schotel en begin twintigste eeuw door de Engelse biografe Una Birch. Bij diverse Christina-auteurs komt het verhaal in afgeslankte vorm terug: blijkbaar zag men in dat de aanwezigheid van jezuïeten niet tot de reële mogelijkheden behoorde, dus werd het een ontmoeting zonder deze katholieke geestelijken, maar contemporaine bronnen weet men niet te noemen. De Burenstam voegt er nog aan toe dat de twee vrouwen elkaar brieven hadden gestuurd, maar van een dergelijke correspondentie is geen spoor te vinden.

Alles wijst erop dat een ontmoeting tussen de Christina en Anna Maria nooit heeft plaatsgehad. Behalve in Gynaeceum doctum wordt deze dan ook in geen enkele contemporaine bron vermeld. Ook niet in correspondentie of andere geschriften van de twee vrouwen zelf of van notoire brievenschrijvers uit hun beider omgeving. (68)

Toch blijven sommigen hardnekkig geloof hechten aan dit geniaal verzonnen fabeltje. Zo houdt de Utrechtse onderzoekster Pieta van Beek vast aan de oorspronkelijke versie waarin de jezuïeten samen met de koningin bij Anna Maria op de stoep stonden en is de ontmoeting als belangwekkend historisch feit vermeld in een gedenkboek van de Utrechtse universiteit dat Van Beek in opdracht van het College van Bestuur over Anna Maria van Schurman schreef. (69)

__________

67 Pascius, Johannes, Gynecium doctum, Wittenberg 1686, p. 54-55.

68 Godfroy, p. 359-362.

69 Beek, Pieta van, The First Female university student: Anna Maria van Schurman (1636), Utrecht 2010), p. 157-159.

 

(Naar boven)

 

 

15. Voordat de aartshertog Christina in Innsbruck ontving, wist hij van haar bekering

 

‘Op 2 november kwam de reistroep aan in Seefeldt, een plaatsje bij Innsbruck waar aartshertog Karl Ferdinand en zijn broer kardinaal aartshertog Sigismund Franz, neven van Ferdinand III en dus vertegenwoordigers van het huis Habsburg, haar tegemoet kwamen. Ook zij hadden geen idee van wat zich de komende dagen in Innsbruck zou afspelen.’ (70)

We lezen in de epiloog van het boek van Diederik Lanoye over Christina’s verblijf in de Spaanse Nederlanden over hoe het verder met haar is gegaan. Maar is het uitleidende karakter van de tekst een reden om het verhaal af te raffelen en er allerlei halve en hele onwaarheden in toe te laten?

In de eerste plaats kwamen de aartshertog en zijn broer Christina niet in Seefeld – de gangbare spelling is zonder t – tegen, maar in Zirl een dorp tussen Seefeld en Innsbruck. In de tweede plaats gebeurde dat niet op 2 november maar op 29 oktober 1655. Ten derde: Seefeld ‘een plaatsje bij Innsbruck’ noemen is net zoiets als Gouda aanduiden als ‘een plaatsje bij Rotterdam’. Ten vierde: de aartshertog heette Ferdinand Karl en niet omgekeerd. (Toegegeven, dit is een instinker, want ook Gualdo Priorato draait de twee voornamen om.) Ten vijfde: de broer van de aartshertog was geen kardinaal, maar een – niet gewijde – bisschop. Ten zesde – en dit is meer van belang – de aartshertog en zijn broer wisten precies wat er de komende dagen stond te gebeuren: de openbare geloofsbelijdenis van Christina. Ze waren inderdaad pas twee dagen eerder op de hoogte gesteld door de speciale gezant van de paus, Lucas Holstenius, die het hen was komen vertellen, en ja, dat was te kort om het feestprogramma nog om te gooien. De aartshertog had namelijk besloten om de lutherse koningin niet lastig te vallen met roomse mirakelspelen of oratoria maar had enkele profane theatervoorstellingen laten voorbereiden. Had hij van de bekering geweten, dan had hij een andere keuze gemaakt. (71)

__________

70 Lanoye, p. 142.

71 Godfroy, p. 394-395, n. 94.

 

(Naar boven)

 

 

16. Christina noemde haar openbare geloofsbelijdenis beslist geen ‘klucht’

 

Aan de omstandigheid dat de gastheren in Innsbruck niet voorbereid waren op de reden van Christina’s bezoek – haar openbare bekering tot het katholicisme – en dat ze daarom uitsluitend profane theatervoorstellingen hadden geprogrammeerd, werd door sommige van haar vijanden naderhand een andere draai gegeven. In een ongedocumenteerde verzameling ‘historische’ anekdotes schreef de Fransman Urbain Chevreau in 1700, dat de koningin bij de middagvoorstelling direct na haar geloofsbelijdenis aan hen zou hebben gezegd: ‘Goed dat u me de theatervoorstelling heeft gegeven, nadat ik voor u een klucht heb opgevoerd.’ (72)

Een bron wordt niet vermeld, en los daarvan is het een volstrekt ongeloofwaardig verhaal. Zelfs als Christina’s geloofsbelijdenis iets theatraals had – theatraliteit was haar niet vreemd – dan diende dat niet om haar bekering te relativeren, maar integendeel overtuigender te laten overkomen.

Sinds een belangrijke 18e-eeuwse bron, Arckenholtz, de anekdote vermeldde (73), al is het met een slag om de arm, blijft deze de kop opsteken. Zoals bij Bain en Buckley (74).

__________

72 Chevreau, Urbain, Chevraeana, ou, Diverses pensées d’histoire, de critique, d’érudition et de morale, Amsterdam, 1700, p. 25.

73 Arckenholtz, Vol I, p. 491.

74 Bain, p. 257. Buckley, p. 206.

 

(Naar boven)

 

 

17. Verwarring rond Christina’s entree in de Pauselijke Staat

 

De ontvangst van koningin Christina namens paus Alexander VII in november 1655 aan de grens van de Pauselijke Staat liep jammerlijk in het honderd. De delegatie van vier bisschoppen en de pauselijke ceremoniemeester met hun gevolg, die haar bij de grensplaats Melara feestelijk had moeten inhalen was namelijk te laat. Deels kwam dat doordat de koningin het aardse rijk van Zijne Heiligheid een dag eerder bereikte dan aanvankelijk was voorzien, deels doordat de poging van het ontvangstcomité om alsnog bijtijds aan grens te zijn, mislukte als gevolg van de barre weersomstandigheden. Toen de stoet van Christina in de stromende regen aankwam, stond niemand haar op te wachten. Ze ging de Pauselijke Staat dus maar binnen zonder te zijn verwelkomd. Pas na acht Italiaanse mijl (ongeveer veertien kilometer) kwam de pauselijke delegatie haar tegemoet. (75)

Wanneer in de geschiedschrijving wordt stilgestaan bij het moment waarop koningin Christina haar nieuwe vaderland betrad, zal die mislukte ontvangst toch wel worden vermeld, zou je denken. Dat blijkt niet altijd het geval. Met name Garstein, die aan de binnenkomst in de Pauselijke Staat meerdere alinea’s en diverse bronverwijzingen besteedt, gaat geheel voorbij aan deze opmerkelijke ontsporing van het ceremoniële protocol. En dat niet alleen. Hij gooit de volgorde en de samenhang van de gebeurtenissen volledig overhoop.

Volgens Garstein kwam de stoet van Christina tegen de avond van 21 november aan bij de Po, ‘die de noordelijke grens van de Pauselijke Staat vormde’. Op beide oevers van de rivier, die werden verlicht door duizend fakkels, stonden omvangrijke regimenten voetsoldaten en ruiters. Het ontvangstcomité met de vier bisschoppen verwelkomde haar. Begeleid door muziek en kanonschoten werd Christina in de draagstoel die de paus had meegegeven naar de rivier gedragen waar een pronkjacht lag om haar naar de overkant te brengen. Maar zij verkoos te voet over te steken over de botenbrug die daar lag voor de koetsen en paarden. Een stuk verderop kwam haar een nieuwe delegatie tegemoet die een brief van de paus voor haar bij zich had. De hoge geestelijken kwamen ondanks de hevige regen uit hun koetsen om haar te begroeten en de koningin deed hetzelfde. Na de plichtplegingen ging iedereen weer in de koetsen en vervolgde men de weg naar Ficarolo en vandaar naar Ferrara. Aldus Garstein. (76)

De fout van Garstein schuilt in de veronderstelling dat de Po de noordelijke grens van de Pauselijke Staat vormde. Dat klopt niet. Ter hoogte van Ferrara bevond de grens zich een stuk verder naar het noorden. (77) Het betekende dat Christina’s reisstoet de Pauselijke Staat over een landgrens bij Melara binnenging en daarna nog 43 kilometer via de noordelijke oever van Po verder reed alvorens deze over te steken. Ficarolo ligt op die noordelijke oever en dus niet op de zuidelijke oever zoals Garstein meent.

Om de fragmenten die hij bij zijn bronnen vond in te passen moest hij ook de volgorde veranderen. Garsteins tweede delegatie, die de brief van de paus bij zich had, was in werkelijkheid de eerste delegatie, die zoals we hierboven zagen te laat arriveerde en Christina pas ontmoette toen ze al acht mijl in de Pauselijke Staat onderweg was. Het tafereel met de fakkels en regimenten langs de Po en de oversteek over de botenbrug, waarmee Garstein de verwelkoming laat beginnen, volgde pas een dag later, op 22 november na een overnachting in Ficarolo. (78)

Garstein is niet de enige die een onjuiste voorstelling heeft van de noordelijke grens van de Pauselijke Staat. Buckley, die wellicht bij Garstein heeft afgekeken, schrijft dat de stoet van Christina in oostelijke richting langs de Po reed, ‘de noordgrens van de pauselijke Staat’. (79)

__________

75 Godfroy, p. 212-213.

76 Garstein, p. 752-753.

77 Zie voor de topografie anno 1655: Godfroy, p. 211, routekaart 9.

78 Godfroy, p. 212-214.

79 Buckley, p. 207.

 

(Naar boven)

 

 

18. Triootje Santinelli-Santinelli-Monaldeschi: wilde fantasieën van een oversekste professor

 

Het boek van de Franse historicus Bernard Quilliet over Christina van Zweden vormt in de lange reeks van aan haar gewijde misverstanden en geschiedvervalsingen een categorie apart. Het is niet alleen een aaneenchakeling van foutieve dateringen en situeringen en ongefundeerde kletsverhalen, het kan ook als schoolvoorbeeld dienen van hoe je rookgordijnen legt door het gebruik van bronnen halfslachtig, kritiekloos en waar het zo uitkomt helemaal niet te verantwoorden.

Waar haalt hij bijvoorbeeld het verhaal vandaan over de seksuele uitspattingen bij de sollicitatie van Gian Rinaldo Monaldeschi en de gebroeders Santinelli als haar nieuwe Italiaanse stafleden? Zij zouden deze uitspattingen bij haar doorkomst naar Rome in Pesaro ‘voor haar ogen’ ten tonele hebben gevoerd. Quilliet beweert onder andere: ‘Bijkomstig en niet te verwaarlozen detail: onze drie kerels gaven zich dapper over aan sodomie, in een volkomen democratische geest, aangezien zij tijdens hun opeenvolgende partijen zonder onderscheid konden overstappen van de actieve naar de passieve rol; beter nog, als zij voor man speelden, kozen zij hun partners bij om het even welk geslacht uit.’ (80)

De verleiding is groot om op zoek te gaan naar het schotschrift waaraan Quilliet dit uitzinnige relaas ontleende, maar waar te beginnen in de enorme stapel schandaalblaadjes die vooral in Frankrijk in de zeventiende eeuw over Christina werden uitgebracht, als de professor geen bron vermeldt? Het is geen wonder dat Quilliet door serieuze Christina-beschouwers doorgaans wordt doodgezwegen, maar de onzin wordt intussen wel uitgevent in het boek van dit gelauwerde lid van de Académie Française, bekend van radio en tv, en zo lijkt het nog geloofwaardig ook.

Laten we dus maar volstaan met de overweging dat Christina haar triomftocht als belangrijkste bekeerlinge van de zeventiende eeuw vast niet op zo’n primitieve manier in gevaar heeft gebracht, omringd als ze was door het omvangrijk gezelschap van hooggeplaatste gastheren en reisgenoten, voor wie zulk buitensporig gedrag van haar en haar nieuwe medewerkers onmogelijk geheim zou kunnen zijn gehouden. Daar komt bij dat Monaldeschi, die hier wordt opgevoerd als een van de pornoacteurs, er tijdens haar ontvangst in Pesaro niet eens bij was en pas vier maanden later in Rome bij de koningin zijn opwachting maakte. (81)

__________

80 Quilliet, p. 208.

81 Godfroy, p. 282.

 

(Naar boven)

 

 

19. Terugkerend thema: Christina als schaamteloze rokkenjaagster

 

Was Christina lesbienne? Het lijkt een aantrekkelijke veronderstelling. Haar afkeer van het huwelijk zou ermee kunnen worden verklaard evenals haar voorkeur om zich in mannenkleren te hullen. Het is vrijwel zeker dat zij aan het hof in Stockholm het bed deelde met Ebba Sparre, een hofdame die zij ‘La Belle’ noemde. Maar zij viel ook op mannen en ze was later in Rome smoorverliefd op kardinaal Azzolino. Ondanks dit alles schreef ze op latere leeftijd dat ze zich gelukkig prees dat ze de kracht had af te zien van de genoegens van de liefde. (82)

Over het seksleven van de koningin weten we maar weinig met zekerheid, al zijn de verhalen, die veelal zijn ingegeven door haar masculiene trekjes en haar extravagante gedrag, talrijk. Sommige handelen over haar vermeende escapades als rokkenjaagster. Een voorbeeld daarvan zagen we al hierboven. Daar ging het over de diensten van een courtisane tijdens haar verblijf in Hamburg. Later tijdens haar eerste reis in Frankrijk zou ze zich opnieuw misdragen hebben bij een poging om en plain public een vrouw te versieren. De bron is een in 1885 anoniem gepubliceerde ‘kopie van een brief’ van Edward von der Pfalz aan zijn zwager, hertog Carlo II van Mantua. Edward zou de brief hebben geschreven vanuit Auxerre waar hij eind augustus 1656 met zijn familie de doortocht van koningin Christina had meegemaakt. Naast een beschrijving van de koningin (…’haar uiterlijk is volkomen mannelijk en totaal niet vrouwelijk’…) lezen we er een kort verslag van wat zich in Lyon zou hebben voorgedaan: ‘Zij houdt erg van mooie vrouwen. Zij vond er een in Lyon die haar beviel. Zij kuste haar overal: op de hals, de ogen en het voorhoofd, zeer verliefd. Zelfs wilde ze haar tongzoenen en met haar naar bed, maar de vrouw wilde niet.’ (83)

Fredrik Ulrik Wrangel prikte in 1930 dit fabeltje al door. Hij doorzocht het archief van de hertog van Mantua: in de collectie brieven van Edward aan Carlo II ontbreekt ieder spoor van zo’n schrijven. Daar komt bij dat Edward het verslag geschreven zou hebben toen hij de koningin in Auxerre voorbij had zien trekken, 300 kilometer en ruim een week noordelijker dan de plaats van handeling, dus was het hoe dan ook geen ooggetuigeverslag, maar hooguit een praatje van horen zeggen. Bovendien is de aanbrenger van de briefkopie anoniem en wordt niet vermeld waar hij deze vandaan heeft.

Terechte conclusie van Wrangel: ‘De documentaire waarde van de brief is dan ook nul.’ (84) Een waarschuwing die, zoals we konden verwachten, niet besteed is aan de rooie oortjes van Quilliet: hij neemt het verhaal onverkort over. (85)

__________

82 Christina, koningin, Apologies, Texte présenté, établi et annoté par François de Raymond, Parijs 1994, p. 126.

83 L’intermédiaire des Chercheurs et Curieux, 10 november 1885, p. 656-657.

84 Wrangel, Fredrik Ulrik, Première visite de Christine de Suède à la cour de France, 1656, Parijs 1930, p. XXV.

85 Quilliet, p. 111.

 

(Naar boven)

 

 

20. ‘Menigte’ wordt door vertaalfout ‘gekkin’ Christina

 

Vergissen is menselijk. In de categorie vertaalfouten leidt dat soms tot bizarre uitglijders. Zo zagen we hierboven dat Garstein en Lanoye in een brief van Nicolaas Heinsius het Latijnse sacramentum in de betekenis van ‘eed van trouw’ volkomen verkeerd interpreteerden als ‘sacrament van het avondmaal’.

Een ander saillant voorbeeld wordt aangedragen door Wrangel (86) die het aantrof in een boek van de hand van de Engelse historicus Count de Soissons over het buitensporige privévermogen van kardinaal Mazarin en zijn erfgenamen. Het gaat over de optie om Christina toe te laten tot de particuliere vertrekken van Mazarin tijdens haar bezoek aan Parijs is 1656. De kardinaal zelf is op dat moment in het zomerverblijf van het Franse hof in Compiègne, dus hij geeft per brief aanwijzingen aan minister Colbert die de honneurs waarneemt. Uit veiligheidsoverwegingen wil Mazarin dat de koningin, als ze daarop zou aandringen, alleen zonder haar gevolg wordt binnengelaten, omdat hij vreest dat bij een groepsrondleiding zijn kleine schilderijen worden gestolen: ‘… je vous prie de prendre garde que la foule n’entre pas dans mes cabinets, car on pourrait prendre de mes petits tableaux.’ (87) ‘La foule’ betekent ‘menigte’, maar de Engelsman leest er het Engelse ‘fool’ (het Franse ‘folle’) in, wat ‘gekkin’ betekent, en hij maakt ervan: ‘…I beg you not to allow the madwoman to enter my study, for my small pictures might be stolen.’ (88)

Inderdaad: vergissen is menselijk. Maar zou iemand die zich serieus in deze geschiedenis verdiept en niet al met het vooroordeel behept is dat Christina een verdorven vrouw was, zo’n fout maken? Waarschijnlijk niet. Zelfs als Mazarin – wat niet ondenkbaar is – twijfels had over de betrouwbaarheid van Christina, dan zou hij dat voor zich hebben gehouden in het stadium van opnieuw opbloeiende vriendschap en samenwerking waarin de relatie tussen Christina en het Franse hof zich op dat moment bevond. Een goed geïnformeerde en onbevangen vertaler zou verbaasd geweest zijn over de zin die eruit rolde en had alleen maar even het Frans-Engelse woordenboek hoeven raadplegen om vast te stellen dat hij ernaast zat.

__________

86 Wrangel, p. XV en 220.

87 Mazarin, Jules, notitie aan Jean-Baptiste Colbert, Compiègne 16 september 1656, in de marge van een brief van Colbert aan Mazarin, Parijs 12 september 1656. Bibliothèque Nationale, Baluze, Papiers des Armoires, Vol. 176, fol 268, in: Clement, Pierre (ed.), Lettres, instructions et mémoires de Colbert, Vol. 1, 1650-1661, Parijs 1861, p. 262.

88 Soissons, The Count de, The Seven Richest Heiresses of France, Londen 1911, p. 57.

 

(Naar boven)

 

 

21. Monaldeschi’s lot: lompe beulen, lepe machthebbers en luie schrijvers

 

Het doodvonnis, op 10 november 1657 in kasteel Fontainebleau uitgesproken over markies Gian Rinaldo Monaldeschi door zijn meesteres koningin Christina (89), was de kille aankondiging van een tragisch levenseinde en een roemloze nagedachtenis. Hem wachtte niet alleen de beproeving van een langzame marteldood onder de handen van onbekwame beulen (90), achteraf werd zijn moreel en juridisch aanvechtbare terechtstelling bovendien door leugenachtige rapportages vergoelijkt en werd zijn biografie verminkt door onzinnige kletsverhalen van slordige geschiedschrijvers, waarmee we nog altijd worden bestookt.

Had Monaldeschi de koningin dan niet verraden? Was hij onschuldig? Dat is hiermee allemaal niet gezegd. Hij was voor zover we kunnen nagaan geen heilig boontje en het verraad waarvan Christina hem beschuldigde zou hij op zijn kerfstok kunnen hebben gehad. Waar het echter om draait is, of hij een eerlijk proces heeft gehad, of zijn executie proportioneel was en of de rechtsgang naderhand op aanvaardbare wijze is verantwoord. Het antwoord hierop is driemaal nee.

Over de vraag of Christina juridisch bevoegd was om in deze zaak als rechter op te treden zijn eindeloze discussies gevoerd. Sommigen stellen zich op het standpunt dat Christina zich op Frans territorium bevond en dat de zaak alleen maar door een Franse rechtbank had mogen worden behandeld. Anderen menen dat Christina nu eenmaal werd erkend als soeverein vorst en dat ze dus rechtsbevoegdheid had ten opzichte van haar hovelingen. (92) Waarschijnlijk komt men er nooit helemaal uit. De soevereiniteit van Christina was goed beschouwd een juridisch monstrum, dat haar in de onderhandelingen over haar troonsafstand was gegund om tot overeenstemming te komen. Een koningin zonder land soeverein verklaren is vragen om moeilijkheden. De soevereine rechten hebben in de praktijk immers altijd betrekking op een territorium en op onderdanen, die in zo’n constructie onhandig genoeg nu juist ontbreken. Juridisch kan men dus niet om de soevereine rechten van de koningin heen, maar voor een aangeklaagde hoveling, in dit geval Monaldeschi, resulteert het hoe dan ook in een uitermate zwakke rechtspositie, ook naar 17e-eeuwse justitiële maatstaven.

Het juridische monstrum van Christina’s soevereiniteit bracht ook met zich mee, dat ze strafrecht meende te kunnen toepassen zonder de beschikking te hebben over een bijbehorend strafrechtelijk apparaat. Als je de doodstraf meent te kunnen opleggen moet je die ook kunnen uitvoeren. Je hebt daarvoor tenminste een vakbekwame beul en de technische voorzieningen voor terechtstellingen nodig. Die ontbraken aan Christina’s reizende hof. Dus improviseerde ze. Dat hield onder meer in dat drie collega’s, die daarin geen ervaring hadden, Monaldeschi moesten executeren. Het werd een bloedige marteling, waar geen eind aan leek te komen. Het verslag daarvan door pater Lebel (93), die er van a tot z bij was, veroorzaakte algemene verontwaardiging.

Christina lijkt er niet bij te hebben stilgestaan dat de bloedige executie in een van de paleizen van Lodewijk XIV woedende reacties bij de koning en bij de Franse bevolking zou losmaken. Christina’s gastheer kardinaal Mazarin begreep op haar eerste melding over het gebeurde uit Fontainebleau dat de geest uit de fles was en deed er alles aan om de aandacht van haar af te leiden, en daarmee van zichzelf. Hij droeg haar op, de schuld op haar personeel af te schuiven, wat zij weigerde. Via zijn hulpje abt Joseph Ondedei schakelde de kardinaal daarop een ghostwriter in, ene Marco Antonio Conti, die een verzonnen versie van de terechtstelling moest schrijven: niet Christina had Monaldeschi laten doden, het was het initiatief van een van haar hovelingen, Francesco Santinelli. Dat Francesco zich op het moment van de executie, die in de meeste commentaren ‘moord’ werd genoemd, in Rome bevond, deed er kennelijk niet toe. Misschien kwam dat zelfs goed uit, want daarmee was een belangrijk deel van het schandaal – de dader – alvast het land uit. Dat er ook andere versies de ronde deden was een tegenvaller voor Mazarin, maar de verwarring over het hoe en waarom was in ieder geval te verkiezen boven een eenduidige waarheidsgetrouwe uitleg van wat er was gebeurd, zoals in het proces-verbaal van pater Lebel.

Hoewel Christina volhield, dat zijzelf de opdracht tot de executie had gegeven, hield ook zij de geruchtenmachine aan het draaien door de precieze strekking van het verraad waarvan ze Monaldeschi beschuldigde te verzwijgen. De brieven die als bewijs hadden gediend, hield ze voor zich en zouden niet meer worden teruggevonden. (94)

Dat er sindsdien talrijke versies van het verhaal de ronde doen, mag al met al geen wonder heten: van liefdesaffaires en de bijbehorende jaloezie binnen en buiten Christina’s hof tot het verraden van het geheime plan van Mazarin en Christina om Napels op de Spanjaarden te veroveren. Maar waarom de nagedachtenis aan de onfortuinlijke Monaldeschi ook nog eens bezoedelen met opzichtige kletspraatjes en klinkklare onzin louter en alleen omdat men te beroerd is om feiten te verifiëren?

Zo schrijft markies De Monglat in zijn Mémoires over het jaar 1658: ‘Koningin Christina, die in Fontainebleau was, begaf zich naar Parijs om carnaval te vieren, waar zij iedere avond gemaskerd heen ging; en na aan alle festiviteiten te hebben deelgenomen keerde ze terug naar Fontainebleau, waar zij in de Galerie des Cerfs uit jaloezie koelbloedig een edelman liet doden die haar vergezelde.’ (95) De schrijvende markies, hoveling van Lodewijk XIV, vond het blijkbaar niet nodig om in zijn directe omgeving te vragen of zijn geheugen hem hier niet bedroog. Iedereen aan wie hij het zou hebben voorgelegd zou hem hebben geantwoord, dat de moord niet rond carnaval 1658, maar op 10 november 1657 had plaatsgevonden. Ook zouden ze hem eraan hebben herinnerd dat er waarschijnlijk veel meer aan de hand was dan jaloezie.

Een ander extreem staaltje slordigheid vermengd met roddelpraat, dat tot op heden voortwoekert, vinden we in Pierer’s Universal-Lexicon van 1860. Daar staat in de korte biografie van Monaldeschi te lezen, dat hij vanuit Italië naar Zweden ging, waar hij in 1652 door bemiddeling van zijn verwant Magnus de la Gardie stalmeester van koningin Christina werd. Het zou hem gelukt zijn Magnus uit zijn voorkeurspositie te verdringen. Na de troonsafstand van Christina werd hij haar opperstalmeester en reisgids naar het zuiden. Wie de geschiedenis van Christina enigszins kent, ziet meteen, dat haar Zweedse opperstalmeester Anton Steinberg en de latere opperstalmeester Monaldeschi hier worden samengesmolten tot één en dezelfde persoon. Volgens Pierer’s Universal-Lexicon zou Monaldeschi’s val trouwens zijn veroorzaakt doordat een door hem verstoten minnares uit wraak zijn brieven met indiscreties over Christina aan de koningin stuurde. (96)

De tijd – we schrijven augustus 2022 – zal inmiddels wel geleerd hebben dat de biografie die Pierer’s oplepelt kant noch wal raakt, zou je denken. Niets is minder waar. Deze onzin staat al jaren op Wikipedia als het levensverhaal van Monaldeschi. Terwijl er over hem zoveel interessante betrouwbare gegevens zijn te melden, zoals zijn nauwe connecties met Mazarin en de centrale rol die hij vervulde in de mislukte Franse aanval op Napels in 1654. (97)

__________

89 Godfroy, p. 329.

90 ibid., p. 329-331.

91 ibid., p. 331-334.

92 Weibull, Curt, Drottning Christina och Monaldescho, Stockholm 1936, p. 83-116.

93 Lebel, ‘Proces verbal de la mort du marquis de Monaldeschi, esquyer de la Reyne de Suède, par P. Lebel, supérieur des Frères de la Trinité, à Fotainebleau’, in: Vidal, Antoine, L’Église d’Avon et le meurtre de Monaldeschi, Parijs 1874, p. 65-75.

94 Godfroy, p. 334-337.

95 Collection des Mémoires relatifs à l’histoire de France, Mémoires de Monglat, Vol III, p. 46. Zie ook: Wrangel, p. XIII.

96 ‘Monaldeschi’ in: Pierer’s Universal-Lexicon, Band 11, Altenburg 1860, p. 376.

97 Godfroy, p. 282-283 en p. 411, n. 97.

 

(Naar boven)

 

 

22. Postuum rouwbeklag

 

Nogmaals: vergissen is menselijk. Zelfs in Bernard Quilliets fantastische vertellingen over Christina kan een fout gewoon door een vergissing zijn ontstaan.

Christina overleed op 19 april 1689. De puriteinse paus Innocentius XI, die de laatste dertien jaar van haar leven een nagel aan haar doodskist was geweest (98), overleefde haar bijna vier maanden. Hij blies op 12 augustus van hetzelfde jaar de laatste adem uit. Quilliet maakt een overduidelijke vergissing, als hij de dood van Innocentius twee jaar eerder dateert, namelijk op 12 augustus 1687. (99) Vermoedelijk gelooft hij dat zelf ook niet, want een pagina daarvoor heeft hij Innocentius nog de banvloek laten uitspreken over de Franse ambassadeur Lavard na diens ongewenste intocht in Rome op 16 november 1687. Onbegrijpelijk wordt het pas als hij aan het overlijdensbericht toevoegt: ‘De koningin liet zich op de begrafenis vertegenwoordigen.’ Een omineuze mededeling gezien de vijandige sfeer tussen Christina en Innocentius, maar hoe dan ook volstrekt onmogelijk, want Christina was al vier maanden dood.

Heeft Quilliet dit zelf verzonnen? Of heeft hij het overgeschreven van een andere fantast? We weten het niet, want zoals meestal laat hij ons in het ongewisse over zijn bronnen. Ook indien hij dit mirakel van postuum rouwbeklag elders heeft gevonden, blijft hij aansprakelijk.

We kunnen het niet genoeg herhalen: fouten zijn er om te corrigeren, niet om te kopiëren.

__________

98 Godfroy, p. 352.

99 Quilliet, p. 303.

 

(Naar boven)